Sociale media, digitalisering

en interventies op de werkvloer

Eén van de meest actuele discussies van vandaag de dag gaat over de negatieve effecten van sociale media op het welzijn van de mens. Niet geheel onbelangrijk aangezien sociale media steeds meer inslijten in onze dagelijkse praktijken. Zo ook op de werkvloer. Uit een onderzoek van de Nationale Vacaturebank (n=900) blijkt dat bijna de helft van de respondenten regelmatig is afgeleid door sociale media. Bij 27% gaat dit ten koste van de werkzaamheden. Daarnaast zou veelvuldig gebruik van sociale media invloed hebben op de mentale gezondheid en het geluk van de mens. Steeds meer bedrijven overwegen dan ook om richtlijnen voor het gebruik van sociale media in te voeren.


Maar wat voor effecten heeft het gebruik van sociale media werkelijk? En heeft alleen sociale media of de gehele digitalisering invloed op de werkvloer? Als universitair docent en onderzoeker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam in Risico- en Gezondheidscommunicatie en Mediapsychologie onderzoekt Jolanda Veldhuis deze invloeden onder jongeren. Daarnaast is Jolanda bekend met het opzetten van interventies om gezondheids- en welzijnsproblemen te tackelen in de populatie. Hoe denkt zij over de inzet van digitale interventies op de werkvloer? In dit interview bespreken we dat met haar.

Heeft sociale media

altijd een slechte invloed?

Uit de literatuur blijkt dat zowel positieve als negatieve effecten worden gevonden door gebruik van sociale media. Jolanda is op dit moment geïnteresseerd in de onderliggende factoren hiervan: wat bepaalt wanneer het wel en niet goed voor je is? “We vinden veel bewijs dat invloed van zogenaamde peers (vrienden, leeftijdsgenoten) één van de meest bepalende factoren is. Wat doen anderen? Hoe reageren ze? Ben je zelf veel met sociale media bezig? En zijn je vrienden dat ook? Het gaat hierin vaak over de slechte invloed van sociale media, maar het is belangrijk om mee te geven dat er ook degelijk bewijs is dat voor sommige mensen het media gebruik positief uitpakt. Doordat je zelf kan bepalen wat je online plaatst, kan je jezelf op een strategische manier weergeven. Als andere mensen daar dan positief op reageren kan dat ook heel goed voor je zelfbeeld zijn.”

Wordt de rol en invloed van sociale media in de toekomst steeds groter?

“Ik vind dat een moeilijke vraag. Fenomenen komen en gaan, en ze veranderen door de tijd heen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar lichaamsbeeld: vroeger was iets voller de standaard, daarna kwam Twiggy in de mode, gevolgd door de heroïnelook en inmiddels hebben we ‘fitspiration’, waarbij vrouwen juist wat meer gespierd mogen zijn. Er komen altijd nieuwe fenomenen waar je onderzoek naar zou kunnen doen en die je kunnen blijven verrassen. Zo ook technologie: die ontwikkelt zich voortdurend en hiermee komen vanzelf weer nieuwe uitdagingen. We zien vooral dat er steeds meer generaties binnen mediagebruik ontstaan en iedere generatie heeft z’n eigen mediakenmerk. Jongeren kennen e-mail en apps al bijna heel hun leven. Voor mensen van mijn generatie speelt sociale media een kleinere rol. Ik ben daar niet groot mee geworden. Het is handig, maar geen onmisbaar onderdeel uit m’n leven. Je kan dan misschien ook iets meer bufferen voor de negatieve gevolgen ervan.”

Door de digitalisering op de werkvloer samen met een vergrijzende beroepsbevolking is iedereen bijna verplicht zich aan te passen. Wat vind jij hiervan?

“Zodra het relevant is voor je werkveld vind ik dat je je wel in (sociale) media en de digitalisering zou moeten verdiepen. Je moet er kennis van hebben om het in te kunnen zetten. Het is niet tegen te houden en ik denk ook niet dat dat moet. Het is ook niet iets slechts. Bedrijven moeten vooral opletten hoe je deze nieuwe technieken in kan zetten zodat ze voordelig werken voor alle partijen, zowel oud als jong. En natuurlijk merk je de vergrijzing binnen organisaties. Dit komt in alle werkvelden terug. Als bedrijf kan je een beleid voeren waarin medewerkers kunnen aangeven wat er ondersteunend nodig is om het werk te kunnen doen. Zo geef je medewerkers de ruimte en mogelijkheid om nieuwe technieken onder de knie te krijgen. Dit kan dan door middel van scholing of iets dergelijks.”

Veel bedrijven gaan hiermee aan de slag. Ze zetten tools in om de inzetbaarheid van de medewerkers te bevorderen. Jij hebt zelf ervaring met het opzetten van

gezondheidsinterventies voor verschillende bevolkingsgroepen. Ook al lijkt dit anders, het stappenplan is eigenlijk overal hetzelfde. Zou je ons uit kunnen leggen waar je

als bedrijf het beste kan beginnen?

“Dat klopt. Of het nu gaat om een interventie voor de invloed van sociale media op het welzijn onder jongeren of de gevolgen van digitalisering op de werkvloer - De basis is gelijk.” Jolanda verdeelt het proces in de volgende vier stappen:


Stap 1: Wat is het probleem?

“Volgens de theorie beginnen we bij het identificeren van het probleem binnen een diversiteit aan problemen die

spelen, maar in de praktijk is dit vaak al duidelijk. Het probleem vormt dan de aanleiding voor de interventie.”


Stap 2: Doelgroep bepalen

“Hiervoor kijk je naar welke mensen last hebben van het probleem. Is er een risicogroep of groep waar je veel winst

op zou kunnen behalen? Is er dus een specifieke groep waar je je op zou willen richten?”


Stap 3: Wat zijn belangrijke onderliggende factoren?

“Als je je doelgroep concreet hebt kun je onderzoeken welke factoren ten grondslag liggen aan het probleem bij deze specifieke groep. Want waarom hebben juist zíj hier last van? Hierin maak je een keuze: wat zijn de belangrijkste factoren waarop je zou willen inspelen? Op basis van deze factoren bouw je je interventie op.”


Stap 4: Betrek je doelgroep in het proces

“Voor het bereiken van de doelgroep is het belangrijk dat een interventie zoveel mogelijk bij hun aansluit. Dat doen we door de literatuur in te duiken, maar ook door continu met de doelgroep in gesprek te blijven. Wat vinden zij fijn? Op welke manier willen ze worden aangesproken: werkt een positieve aanpak beter, of moeten juist de risico’s duidelijk worden gemaakt? Daarnaast kan je onderdelen van de interventieontwikkelen en testen bij een deel van de doelgroep. Wat vinden zij ervan? Hebben zij een voorkeur? Hoe moet het eruit zien?”


Tot slot haalt Jolanda aan dat men het proces niet moet overhaasten. De ontwikkeling van een interventie gaat stapsgewijs. Dit staat niet binnen een dag. Door continu terug te koppelen naar de doelgroep, streef je ernaar om uit elke stap het beste te halen. Op deze manier wordt de effectiviteit van de interventie gewaarborgd.